Inleiding en verantwoording

Door Gerard van Asperen

Dhr. Peter-Jan Veuskens (1909-1984) had op 16 april 1961 een aanstelling gekregen aan de Pius X Ulo school te Veghel. Dat was de reden waarom de familie Veuskens uit Weert in dat jaar verhuisde en in Veghel kwam wonen.
Hij kreeg in Weert niet de bevordering die hij zich had voorgesteld en dat was de reden waarom hij de kansen die hem in Veghel werden geboden aangegrepen heeft.
Hij had verschillende aktes gehaald in Duits, Engels, Frans en muziek en kon in Veghel deze kennis in de praktijk brengen op de zojuist verzelfstandigde Ulo school. Deze school was opgezet door de broeders der Onbevlekte Ontvangenis uit Maastricht.
Dhr. en mevr. Veuskens hadden een groot gezin met elf kinderen.
Kort na hun verhuizing leerde ik de familie Veuskens kennen en na enige tijd kreeg ik contact met Margriet het derde kind in de familie. Wij zijn getrouwd op 24 juni 1970.
Als ik met mijn schoonmoeder mevrouw Annie Veuskens-Teunissen (1911-1999) over haar familie sprak kwam ook regelmatig haar heeroom Sjang, pater Peregrinus Teunissen ter sprake die in de provincie Hubei te China missioneringswerk had gedaan.

Peregrinus voor vertrek naar China met zijn priesterbroers Pierre OMI en rechts Emmanuel OMI

Deze persoon intrigeerde mij bijzonder, omdat China in die tijd nog steeds het communistische imago van Mao Tse-tong had, en het een onbekend en ver land was en ik in die tijd niet eens wist waar de provincie Hubei in China lag.
Ik vroeg me dan meestal af hoe iemand voor zijn gehele leven naar China kon vertrekken er vanuit gaande nooit meer naar zijn vaderland terug te keren.
Mijn schoonmoeder heeft tijdens haar jeugd heeroom Sjang alleen maar uit verhalen van haar ouders gekend, omdat hij in 1910 naar China was vertrokken en zij pas in 1911 is geboren. Ook toen Peregrinus in 1927, voor herstel, een jaar bij hun in huis kwam was zij juist naar kostschool te Mook gegaan om daar voor onderwijzeres te studeren. Zij zal hem alleen tijdens vakanties hebben ontmoet.
De meeste verhalen gingen dan ook over de tijd na 1931 toen Peregrinus al voorgoed terug was in België en in ’s-Gravenvoeren kapelaan was. Zij gingen met de fiets daar wel eens heen om te logeren op de kapelanij. Ook was Peregrinus wel eens te Weert om met zijn broers en zusters “te klappen en te kallen”. Hij stierf in 1943.
Mijn feitelijke interesse ontstond toen haar neef dr. Jos Voogt OMI, die de achterneef was van Peregrinus, op 83-jarige leeftijd overleed in 1986.
Ik was erbij toen zijn nichtjes, tante Marietje en tante Jacqueline, de zusjes van mijn schoonmoeder, zijn kamer moesten leeg maken. Hierbij kwam er een rol met wel honderd foto’s uit China van een kast die allemaal van heeroom Sjang moesten zijn geweest. De tantes die toen al 70 respectievelijk 68 jaar oud waren, zagen niet dat bewaren nog zin had en vonden dat die foto’s wel weg konden. Ik heb me daar toen over ontfermd zonder dat ik toen wist wie of wat er op die foto’s voorkwam. Ik heb die foto’s gaandeweg nog wel verschillende keren bestudeerd maar kwam er niet veel verder mee en heb ze toen maar in een lade gelaten tot 1999, het jaar dat mijn schoonmoeder, op bijna 88-jarige leeftijd, overleed.
Ook toen kwamen er verschillende herinneringen van heeroom Sjang bij het opruimen van het huis naar boven. Margriet en ik hebben toen tante Jacqueline voorgesteld om eens samen naar ’s-Gravenvoeren te gaan en te zien of daar nog sporen van Peregrinus te vinden waren. Daar kwamen wij in contact met de diaken dhr. J. Lemmelijn; hij was nog misdienaar bij hem geweest en had hem dus nog goed gekend. Hij raadde ons aan eens contact op te nemen met het minderbroeder klooster te Sint-Truiden.
Wij zijn daar in contact gekomen met pater Alex Coenen OFM (1925-heden), de archivaris van het Instituut voor franciscaanse geschiedenis. Toen wij daar aankwamen had hij reeds de nog overgebleven brieven gekopieerd, die Peregrinus in die tijd naar zijn missieprocurator had gestuurd en enkele andere wetenswaardigheden “die nog in zijn dossier staken”, zoals hij zei.
Volgens pater Coenen was het niet veel, maar thuisgekomen was het voor mij een openbaring want al lezende, hetgeen moeizaam ging vanwege het handschrift en de overgebleven kwaliteit van de kopieën, was het plotseling mogelijk om de foto’s die ik intussen redelijk goed in me had opgenomen te plaatsen.
De foto’s begonnen samen met de brieven een beeld te vormen van wat zich in die tijd in China en met name in de Hubei moet hebben afgespeeld.
Er voltrok zich voor mij een verhaal dat in de geschiedenisboeken niet voorkwam en dat al lang overvleugeld was door het simpele verloop van de tijd, maar ook door het feit dat er nauwelijks nieuws uit China in Europa terecht kwam.
Ook pater Ulfried van Camp OFM (1927-2001), als kenner van het missiearchief te Sint-Truiden, heeft mij geholpen de losse eindjes van het levensverhaal van Peregrinus aan elkaar te knopen.

Peregrinus, Bo-Ying-Heng, in Chinese karakters.

Om te weten of het mogelijk zou zijn om uiteindelijk de plaatsen waar Peregrinus het belangrijkste deel van zijn leven had doorgebracht te bezoeken, hebben mijn vrouw, Margriet, en ik in 2001 een algemene reis door China gemaakt en een aantal toeristische hoogtepunten uit de Chinese geschiedenis bezocht. Tevens hebben we toen een cruise gemaakt op de Yangtse-kiang vanuit Hankow naar Sha-si, Yichang en Pa-tong naar Chong-qing. We kwamen in het gebied van de zuidwestelijke Hubei waar de Belgische zendelingen missioneerden. Dit heeft ons het gevoel gegeven dat ook zelfstandig de plaatsen te bezoeken moesten zijn waar Peregrinus zijn missioneringswerk heeft gedaan.
Door het feit dat internet en e-mail de wereld verder heeft geopend zijn wij in contact gekomen met Vincent Chow (Zhou Xiang-lin), een gids die ons was toegewezen door een Chinees reisbureau in Wuhan die voor ons een “road warming up” had voorbereid naar de plaatsen in de Hubei die wij wilde bezoeken. De belangrijkste plaatsen voor ons waren op dat moment Yichang, Tou-tchen-onan, Sin-tien-pa, Hua-li-ling en Lan-pin. Via hem kwamen we voor ons vertrek in april 2005 in contact met father Matthew Gong Zhixi, de priester in Hua-li-ling die in 2005 de daar nog bestaande kerk leidde. Hij was zeer geïnteresseerd in de geschiedenis van “zijn” kerk en vroeg of hij met ons de reis mee mocht maken wat voor ons natuurlijk geen enkel probleem was. Integendeel, het kon alleen maar iets toevoegen aan onze onderneming.

Seminarie te Shi-li-hong bij Yichang, waar Peregrinus de Chinese taal en gebruiken leerde

Toen we na een verblijf van een aantal dagen in Shanghai via een binnenlandse vlucht naar Wuhan en een vervolgvlucht te Yichang aankwamen werden we met bloemen ontvangen door onze gids Vincent Chow in gezelschap van father Matthew. De reis die we toen samen gemaakt hebben naar de al genoemde plaatsen is voor ons onvergetelijk geweest. Wij hebben met onze eigen ogen gezien in welke gebieden en onder welke omstandigheden de missionarissen daar hun werk hebben gedaan.
En het heeft ons geplezierd dat, ook al heeft dat lange tijd anders geschenen, hun werk niet voor niets is geweest. Weliswaar is het christendom niet groot in China maar in de Hubei leeft en bloeit het nog volop.
Nog pas kortgeleden in oktober 2006 zijn we op verzoek van father Matthew opnieuw in Hua-li-ling geweest om het 100-jarig bestaan van zijn kerk mee te maken. Ook hebben we samen met hem en enkele gelovigen van zijn kerk, waaronder een persoon van 70 jaar die de vluchtroute van Peregrinus van Lan-pin naar Hua-li-ling precies kende, deze route gelopen, ongeveer 20 kilometer, als een vorm van pelgrimage waarover we net als Peregrinus in 1921, vier uur hebben gedaan.

Een fantastische ervaring. Wij zouden dit niet hebben willen missen.

Gerard van Asperen en Margriet van Asperen-Veuskens.